Op dit moment bestaat nog veel onduidelijkheid over de vraag wanneer iemand als zelfstandige kan werken. Deze onduidelijkheid heeft verschillende ongewenste effecten. Zo blijft het probleem van schijnzelfstandigheid bestaan, zijn opdrachtgevers eerder terughoudend met het inzetten van zelfstandigen en kost het beoordelen van een arbeidsrelatie veel tijd. Het kabinet wil daar met de Zelfstandigenwet verandering in brengen. Het wetsvoorstel komt in de plaats van de fel bekritiseerde Wet VBAR en ligt sinds 1 oktober 2026 ter internetconsultatie. Naar verwachting treedt de wet op 1 januari 2028 in werking. Maar wat verandert er nu precies als de Zelfstandigenwet wordt aangenomen?

De huidige situatie

Of iemand als werknemer of zelfstandige werkt, wordt beoordeeld aan de hand van artikel 7:610 BW en de daarop gebaseerde jurisprudentie, waaronder het Deliveroo-arrest. Dit artikel bepaalt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst wanneer iemand gedurende zekere tijd arbeid verricht, daarvoor loon ontvangt en ‘in dienst van’ een werkgever werkt. Dit laatste vereiste wordt ook wel het gezagscriterium genoemd. Vooral dit criterium zorgt in de praktijk voor veel onzekerheid, omdat de wet niet bepaalt wanneer sprake is van gezag. Daarom wordt bij de beoordeling gekeken naar alle feiten en omstandigheden van het geval. Dit wordt ook wel de holistische weging genoemd. In het Deliveroo-arrest heeft de Hoge Raad negen gezichtspunten geformuleerd die bij deze beoordeling van belang kunnen zijn. Zo wordt onder meer gekeken naar de aard en duur van de werkzaamheden, de manier waarop de werkzaamheden en werktijden zijn bepaald en de mate waarin de opdrachtnemer commercieel risico loopt. Een vaste rangorde is er echter niet. Welk gewicht de gezichtspunten krijgen, verschilt per geval. Daardoor is het voor opdrachtgevers en zelfstandigen op voorhand vaak lastig in te schatten of een opdracht door een zelfstandige kan worden uitgevoerd, of dat toch sprake is van een arbeidsovereenkomst. Juist op dit punt moet de Zelfstandigenwet meer zekerheid bieden.

De nieuwe Zelfstandigenwet

De Zelfstandigenwet voegt een nieuw tweede lid toe aan artikel 7:610 BW. In dit nieuwe lid worden twee toetsen geïntroduceerd: de zelfstandigentoets en de werkrelatietoets.

De zelfstandigentoets ziet op de werkende zelf en beoordeelt of deze in algemene zin als zelfstandige opereert. Om aan deze toets te voldoen, moet de zelfstandige:

  1. in het lopende en het voorgaande kalenderjaar in totaal ten minste 3 opdrachtgevers hebben gehad;
  2. een minimumbedrag besteden aan voorzieningen tegen de risico’s die horen bij het werken als zelfstandig ondernemer (zoals een arbeidsongeschiktheidsverzekering, een aansprakelijkheidsverzekering en een pensioenvoorziening); en
  3. de basisvoorwaarden op orde hebben om als zelfstandige te kunnen werken, denk aan zelf factureren en het beschikken over een inschrijving bij de Kamer van Koophandel.

De werkrelatietoets ziet op de concrete verhouding tussen de zelfstandige en de opdrachtgever. Hiervoor geldt dat:

  1. partijen de bedoeling hebben dat de arbeid niet in dienst van een werkgever wordt verricht;
  2. de werkende vrij is om te bepalen hoe het werk wordt uitgevoerd;
  3. de werkende vrij is om de werktijden en de werkplek te bepalen; en
  4. de werkende de werkzaamheden voor eigen rekening en risico verricht.

Wordt aan de voorwaarden van beide toetsen voldaan, dan is in ieder geval geen sprake van gezag en kwalificeert de arbeidsrelatie niet als arbeidsovereenkomst. De opdrachtgever en de zelfstandige vallen daarmee binnen de zogenoemde ‘veilige haven’. Het gevolg hiervan is dat partijen niet langer hoeven te vrezen dat hun samenwerking achteraf alsnog als arbeidsovereenkomst wordt aangemerkt. Wel geldt dat ‘wezen voor schijn gaat’: niet alleen op papier, maar ook in de praktijk moet gedurende de gehele samenwerking aan de criteria van beide toetsen worden voldaan. Is dat niet het geval, dan vervalt de bescherming van de veilige haven.

Wordt niet aan alle voorwaarden van de zelfstandigentoets en de werkrelatietoets voldaan, dan betekent dit niet automatisch dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. De arbeidsrelatie wordt dan alsnog beoordeeld aan de hand van de bestaande holistische weging, waarbij zowel de gemaakte afspraken als de feitelijke uitvoering daarvan worden meegewogen.

Kortom

Hoewel het wetsvoorstel nog kan worden gewijzigd, lijkt de Zelfstandigenwet een stap te zetten richting meer duidelijkheid over de vraag wanneer iemand als zelfstandige kan werken en wanneer sprake is van een arbeidsovereenkomst. Of de wet die duidelijkheid in de praktijk daadwerkelijk zal bieden, moet nog blijken. Wij houden u op de hoogte van de verdere ontwikkelingen.

 

Deel deze publicatie via
Terug naar het overzicht